
Mag een EVR-registratie worden gebaseerd op aannames?
Een EVR-registratie heeft vaak grote gevolgen. Maar wat als een verzekeraar fraude vermoedt zonder dat daarvoor voldoende bewijs bestaat? In deze analyse bespreken we een uitspraak waarin de kwaliteit van het onderzoek en de bewijsvoering centraal stonden.
Waar draaide deze zaak om?
De verzekeraar vermoedde dat de consument onjuiste informatie had verstrekt en besloot daarom een EVR-registratie op te nemen. Volgens de consument waren de conclusies echter grotendeels gebaseerd op vermoedens en interpretaties, terwijl concreet bewijs van fraude ontbrak.
De rechter moest beoordelen of de beschikbare feiten voldoende waren om een registratie met zulke verstrekkende gevolgen te rechtvaardigen. Daarbij stonden de kwaliteit van het onderzoek, de onderbouwing van de conclusies en de bewijsvoering centraal.
Wat gebeurde er?
Voordat de rechter zich kon uitspreken, speelde zich een reeks gebeurtenissen af die uiteindelijk leidde tot de EVR-registratie.
Een schadeclaim of melding
De zaak begon met een gebeurtenis waarbij de verzekeraar informatie ontving die aanleiding gaf voor nader onderzoek.
Fraudeonderzoek
Tijdens het onderzoek ontstonden vragen over de juistheid van bepaalde verklaringen of verstrekte informatie.
EVR-registratie
De verzekeraar concludeerde dat sprake zou zijn van fraude of misleiding en besloot een registratie op te nemen.
Gang naar de rechter
De consument was het niet eens met de conclusies en liet de zaak toetsen door de rechter.
Waarom keek de rechter kritisch naar het bewijs?
Een EVR-registratie is geen gewone administratieve maatregel. De gevolgen kunnen jarenlang merkbaar zijn bij het afsluiten van verzekeringen, financiële producten en soms zelfs bij zakelijke relaties. Juist daarom moet een verzekeraar zorgvuldig kunnen onderbouwen waarom een registratie noodzakelijk is.
In deze zaak stond niet alleen de vraag centraal wat er precies was gebeurd, maar vooral of de beschikbare feiten voldoende waren om fraude aan te nemen. De rechter keek daarbij kritisch naar de manier waarop de verzekeraar tot zijn conclusies was gekomen.
Het enkele bestaan van vragen, onduidelijkheden of tegenstrijdigheden betekent namelijk niet automatisch dat sprake is van opzettelijke misleiding. Voor een EVR-registratie moet sprake zijn van voldoende concrete feiten en omstandigheden die de conclusie van fraude kunnen dragen.
Wanneer conclusies voornamelijk worden gebaseerd op vermoedens, aannames of interpretaties van gebeurtenissen, ontstaat het risico dat een registratie onvoldoende is onderbouwd. Rechters toetsen daarom regelmatig of de beschikbare bewijsstukken daadwerkelijk aansluiten bij de conclusies die een verzekeraar trekt.
Deze uitspraak laat opnieuw zien dat een EVR-registratie niet uitsluitend mag rusten op een gevoel van wantrouwen. De onderbouwing moet objectief, controleerbaar en overtuigend genoeg zijn om de verstrekkende gevolgen van een registratie te rechtvaardigen.
“Twijfel alleen is niet hetzelfde als bewijs. Juist bij een EVR-registratie moet de feitelijke onderbouwing voldoende sterk zijn om de gevolgen voor de betrokkene te kunnen dragen.”
Wat betekent deze uitspraak voor consumenten?
Deze uitspraak betekent niet dat iedere EVR-registratie onterecht is. Wel laat zij zien dat verzekeraars hun conclusies zorgvuldig moeten onderbouwen. Een registratie met verstrekkende gevolgen kan niet uitsluitend worden gebaseerd op vermoedens of aannames.
Voor consumenten is het daarom belangrijk om altijd inzicht te vragen in de redenen achter een registratie. Welke feiten liggen eraan ten grondslag? Welke bewijsstukken zijn gebruikt? En hoe heeft de verzekeraar de belangen tegen elkaar afgewogen?
In de praktijk blijkt regelmatig dat consumenten pas na ontvangst van het volledige dossier begrijpen waarop een fraudeverdenking precies is gebaseerd. Juist dan kan worden beoordeeld of de registratie voldoende is gemotiveerd.
Wat kunnen we uit deze uitspraak leren?
De waarde van rechtspraak zit niet alleen in de uitkomst van een individuele zaak. Minstens zo belangrijk zijn de lessen die consumenten, verzekeraars en juristen uit een uitspraak kunnen trekken.
Een vermoeden is nog geen bewijs
Twijfels of vragen rondom een schadeclaim betekenen niet automatisch dat sprake is van fraude. Voor een EVR-registratie moet de onderbouwing verder gaan dan aannames of vermoedens alleen.
Onderzoek moet zorgvuldig zijn
Wanneer een verzekeraar verstrekkende maatregelen neemt, moet duidelijk zijn hoe conclusies tot stand zijn gekomen en op welke feiten deze daadwerkelijk zijn gebaseerd.
De gevolgen wegen zwaar mee
Omdat een EVR-registratie jarenlang invloed kan hebben op verzekeringen en financiële producten, kijken rechters kritisch naar de kwaliteit van de bewijsvoering.
Deze uitspraak bevestigt opnieuw dat een EVR-registratie niet lichtvaardig mag worden opgelegd. Juist vanwege de impact op het dagelijks leven moet een registratie kunnen steunen op voldoende concrete en controleerbare feiten.
Rechtbank Den Haag: onvoldoende onderbouwing voor EVR-registratie
Een uitspraak die regelmatig wordt aangehaald in discussies over EVR-registraties is die van de Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2021:9469). De rechtbank moest beoordelen of de beschikbare feiten en omstandigheden voldoende waren om een registratie in het Extern Verwijzingsregister te rechtvaardigen.
Waarom is deze uitspraak relevant?
De rechtbank benadrukte dat een registratie in het Extern Verwijzingsregister verstrekkende gevolgen kan hebben voor de betrokken persoon. Juist daarom moet een financiële instelling of verzekeraar zorgvuldig kunnen onderbouwen waarom een registratie noodzakelijk is.
In de beoordeling stond centraal of de beschikbare feiten en omstandigheden voldoende steun boden voor de conclusie dat sprake was van fraude of opzettelijke misleiding. De rechtbank keek daarbij niet alleen naar de uitkomst van het onderzoek, maar ook naar de kwaliteit van de onderliggende onderbouwing.
De uitspraak laat zien dat bij een EVR-registratie niet alleen vermoedens of twijfels van belang zijn, maar vooral de vraag of de conclusie wordt gedragen door voldoende concrete en objectief vast te stellen feiten.
Conclusie van Claim Insider
Deze uitspraak onderstreept dat een EVR-registratie niet uitsluitend mag steunen op vermoedens of twijfel. Vanwege de verstrekkende gevolgen van een registratie moet de onderbouwing kunnen worden gedragen door voldoende concrete feiten en omstandigheden. Wanneer die onderbouwing ontbreekt, kan een registratie ter discussie worden gesteld.
